Sander Luske (Nijmegen 1970)houdt zich bezig met het ontwerpen van porselein, het fotograferen van voedsel en is docent aan de afdeling Product Design van ArtEZ in Arnhem.

Peter Nijenhuis: Nederlandse ontwerpers hebben wereldwijd een goede naam, maar dat brengt niet onmiddellijk geld in het laatje. De Nederlandse markt is of lijkt voor Nederlandse ontwerpers te klein. Er zijn te weinig opdrachtgevers en te weinig klanten om een fatsoenlijke boterham te verdienen. Een Nederlandse ontwerper moet de wereld in. Internationaliseren, heet dat. Maar hoe komt een beginnend ontwerper aan internationale contacten?
Sander Luske: Ik studeerde in 1993 in Arnhem af aan wat nu de afdeling Product Design heet. Op de academie werkte ik al samen met Jan Broekstra en na ons eindexamen gingen we daar gewoon mee verder. We hadden een eigen label: JKN Arnhem. Dat stond voor 'Jongens voor de Kleinijverheid Arnhem'. Keramiek was in die tijd in Nederland nog altijd een soort kleinijverheid, een beetje tuttig, zeg maar. Jan Broekstra en ik stonden voor een andere benadering. Keramiek moest niet in de kast staan of in een vitrine. Je moest het gebruiken. Het diende een sociale rol te spelen, dat wil zeggen een rol in dagelijkse handelingen, dingen die mensen samen doen zoals eten, drinken, koken en het bewonen van een huiskamer. Keramiek moest mensen verbinden en hun gewone, dagelijkse en functionele handelingen verbinden met het esthetische en het bijzondere. Als ontwerpers waren we onconventioneel. We verbonden het ambachtelijke met het conceptuele en we namen ook wel een loopje met onze eigen pretenties. Jan en ik hadden allebei een alter ego, Klaas van Loenen en Harrie de Vries, die binnen JKN verantwoordelijk waren voor de fotografie en de conceptontwikkeling. We zouden de keramiekwereld wel even op zijn kop zetten!

Peter Nijenhuis: Hoe dacht je dat soort ambities waar te maken?
We moesten naar Milaan en naar andere buitenlandse beurzen; dat stond als een paal boven water. We hadden in die tijd een startstipendium en ook uit andere bronnen schraapten we geld bij elkaar. Deelnemen aan de beurs van Milaan was niet bepaald goedkoop. Je sliep op een camping of je regelde een slaapplaats bij Arnout Visser die in die tijd in Milaan woonde. Jan en ik hebben op zo'n manier ook deelgenomen aan de 100% Design in Londen. Het deelnemen aan beurzen leverde geen, of niet direct geld op, maar we beseften dat we als beginnende ontwerpers eerst moesten investeren. Die investeringen waren zeker niet zinloos. Door op beurzen te staan, maakte je met allerlei mensen kennis. Als je door de Elle of door Items werd geïnterviewd, kon je zeggen dat je 'internationaal' bezig was. Dat klonk aantrekkelijk en leverde opdrachten op. Door een interview in de Elle kregen we van het Amsterdamse Muziektheater de opdracht om duizend koffiebekers te ontwerpen en te produceren, een relatiegeschenk.
   Je had in de tijd dat wij begonnen veel ontwerpwedstrijden: de Rotterdamse Designprijs, de Gelderse Designprijs en de wedstrijden van de Premsela Stichting. We namen aan zoveel mogelijk wedstrijden deel, want dat was een goede manier om je werk te laten zien en contacten te leggen met juryleden. Als zo'n prijs iets voorstelde, zaten er meestal invloedrijke mensen in de jury. In de jury van een van de wedstrijden van de Premsela Stichting zat een in Milaan woonachtige talentscout. Die adviseerde onder andere voor Rosenthal, de wereldwijd opererende Duitse producent van onder meer serviezen. Een ander jurylid zei na de wedstrijd dat de talentscout van Rosenthal zeer van ons werk gecharmeerd was en dat bracht me op een idee. Ik belde de talentscout op zijn kantoor in Milaan en vertelde dat we toevallig in Milaan moesten zijn. Of het geen idee was om even langs te komen. Dat vond de talentscout prima. Jan en ik zijn toen naar Milaan gereisd. We probeerden eerst te liften en toen dat niet lukte, namen we de trein. Uiteindelijk werden we via de man in Milaan door Rosenthal uitgenodigd om in Selb, in het uiterste puntje van Beieren waar hun fabriek staat, de productie van een door ons ontworpen servies voor te bereiden. Voor ons was het een mooie en leerrijke ervaring. Je verbleef in een smaakvol ingericht hotel en je kreeg een kans om een kijkje te nemen in de keuken van een grote serviesproducent. Als je voor een bedrijf als Rosenthal bezig bent, voel je je natuurlijk een hele peer. We dachten dat we uit deze opdracht nog meer opdrachten zouden kunnen slepen, maar ons servies was geen verkoopsucces. Ik denk dat we met ons ontwerp gewoonweg te vroeg op de markt kwamen. Rosenthal ging vanwege de tegenvallende verkoop niet met ons verder. In 2000 besloten Jan en ik om ieder onze eigen weg te gaan. Dat deden we als goede vrienden overigens. Ik ben een tijd lang in een deel van Jans atelier blijven werken en ook andere praktische dingen deden we samen. Maar na 2000 had ik als ontwerper een eenmanszaak.

Peter Nijenhuis: Had je een idee hoe je dat moest aanpakken?
Sander Luske: Ik was ervan overtuigd dat ik als ontwerper om de zoveel tijd een goede collectie moest ontwerpen en produceren en met die collectie op beurzen moest staan. Dat leek mij de aangewezen weg om niet alleen je werk te tonen, maar ook om mensen te laten zien uit wat voor mentaliteit en ontwerphouding je werk voortkwam. Voor mij ging het nog steeds om de dingen die ik en Jan in onze tijd als JKN Arnhem ook belangrijk vonden, het sociale en verbindende gebruik van je ontwerpen. Om dat een duidelijke vorm te geven, ontwierp ik een limonadebar, en een cocktail- en ijsbar. Met die dingen ging ik op de beurs staan van Milaan, in Stockholm, Rome en op tentoonstellingen. Ik maakte cocktails en ijsjes voor de beursbezoekers. Ik verkocht de beker en de inhoud was gratis. Dat liep goed en ik werd door organisatoren van beurzen en manifestatie na verloop van tijd zelfs gevraagd om tegen betaling met mijn limonade- of cocktailbar op te treden.

Peter Nijenhuis: Bracht dat een beetje geld op?
Sander Luske: Ja, maar niet heel veel, wat overigens niet het probleem is. Ik heb mijn geld als ontwerper altijd op verschillende manier verdiend. Ik vind dat je jezelf als ontwerper telkens opnieuw moet uitvinden. Er zit weinig anders op. Ik ben na 2000 ook relatiegeschenken gaan ontwerpen en produceren voor overheden en bedrijven. Dat liep goed totdat in 2008 de crisis uitbrak. Ik moest daardoor uitkijken naar andere bronnen van inkomen. Bovendien waren mijn kinderen in die tijd nog klein. Keramiek produceren is tijdrovend. Om tijd te hebben voor het opvoeden van de kinderen en een nieuwe bron van inkomen aan te boren, ben ik voedsel gaan fotograferen. Dat doe ik nog steeds, voor de kookrubriek van de Utrechtse Straatkrant en voor betalende opdrachtgevers. Maar met het fotograferen van voedsel alleen kom je er ook niet, als ontwerpende eenmanszaak. Want wat je al zei, Nederland is klein. Het schiet niet op. Ik besloot ergens in 2004 dat het hoog tijd was om weer naar het buitenland te gaan. Op een of andere manier ben je daardoor gespitst op het zoeken naar mogelijkheden. Je hebt het erover met collega's en op een gegeven moment kreeg ik een uitnodiging van de oprichtster van het tijdschrift en de website Designboom om in 2005 deel te nemen aan de International Contemporary Furniture Fair in New York. Die mevrouw van Designboom was ik daarvoor tegengekomen in Milaan. Ik ben met een collectie naar New York gegaan en de beurs leek aanvankelijk goede contacten op te leveren. Die heb ik helaas niet kunnen verzilveren. Toen ik een tijdje na de beurs weer contact opnam met mijn Amerikaanse contacten, waren ze me vergeten of hadden iets anders aan hun hoofd. Met je collectie op een beurs gaan staan is één zaak. De hele nazorg – die o zo belangrijk is - is een tweede. Je moet achter eenmaal gelegde contacten keihard aan zitten. Dat lukte me na die beurs door allerlei omstandigheden niet gelijk. Ik had er als eenmanszaak niet de tijd en de middelen voor en bezat misschien ook niet de brandende motivatie die er voor nodig was.

Peter Nijenhuis: Heb je er niettemin iets van geleerd?
Sander Luske: Jawel. In 2007 kreeg ik een basisbeurs van het toenmalige Fonds voor Beeldende kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Dat gaf de mogelijkheid om me opnieuw op het buitenland te richten. Maar op welk land of op welke markt zou ik me moeten richten? Wat paste bij mij en waar paste ik? Wat vond ik echt interessant en zou me de motivatie geven om me er volledig voor in te zetten? De conclusie was dat ik naar Japan moest. Je moet bedenken dat ik een niche-ontwerper ben. Ik ontwerp en produceer zelf. Mijn werk ontstaat voor een deel al doende en experimenterend in mijn werkplaats. Dat is in bepaalde opzichten een last, want het is tijdrovend en kostbaar. In andere opzichten is het ook een voordeel. Je maakt unieke producten en daar is een markt voor. In Japan is keramiek die door ambachtsmensen en kunstenaars is gemaakt gewild. Japanners kopen geen serviezen, maar een kommetje van de ene meester en nog een van een andere. Als je ambachtelijke vaardigheden bovendien combineert met een onconventionele, onderzoekende en conceptuele ontwerphouding, dan is dat voor Japanse liefhebbers helemaal interessant. Ze vinden het mooi dat je bijvoorbeeld je signatuur niet met een mesje in de zachte klei krast, maar, zoals ik, met een stempeltje erop plakt. Ze begrijpen ook dat glazuur tegen en serie bekers smijten, zodat een bepaald spoor of patroon ontstaat, spannend is omdat er tijdens het bakken van de klei iets mis kan gaan. Een of meer bekers uit de reeks kunnen vervormen of barsten, waardoor de serie niet meer compleet en bruikbaar is. Wat mijn werk interessant maakt voor Japanners is ook de rol van de dissonant. Jappannes streven naar perfectie, maar die perfectie wordt niet bereikt zonder een imperfectie of dissonant. Daar ben ik, zonder dat aanvankelijk duidelijk te beseffen, in mijn werk van begin af aan mee bezig geweest.

Peter Nijenhuis: Maar hoe kom je in Japan?
Sander Luske: Ik heb me bij de toenmalige Premsela Stichting opgegeven voor de 100% Design beurs van 2008 in Tokyo en daarna voor die van 2009. Voor de beurs van 2008 ontwierp ik de JP12 collectie. JP12 staat voor Jackson Pollock en zoals je weet is die in 1912 geboren. JP12 is een servies dat op een bepaalde manier is gedecoreerd. Niet ieder stuk op zich is apart voorzien van een beschildering, maar borden en kommen zijn in groepen onderworpen aan een behandeling waarbij ik met een speciaal geprepareerde fles glazuur boven het werk stond te zwaaien.
   Op de beurs van 2008 in Tokyo kon ik contacten leggen die in 2009 tastbare resultaten opleverden. Ik maakte in 2008 kennis met Nahoko Washio die in 2009 voor me ging optreden als agente. Zo iemand heb je nodig, want Japan is ingewikkeld. Je kunt niet gelijk zaken doen met iemand die op de beurs naar je werk komt kijken en foto's neemt. Want gewoonlijk heeft zo iemand een baas waar hij die foto's aan laat zien en aan wie hij verantwoording aflegt. Die baas kan ook weer bazen hebben en bij wie moet je dan zijn als je wat wilt? Voor een buitenstaander is dat niet te doorzien. Daar heb je een agent voor nodig.
   Via Nahoko Washio heb ik in Japan veel verkocht. Ik had op de beurs van 2009 ook een gesprek met Koji Nishiba die optrad namens Duende, een bedrijf dat onderdeel is van Marcs International, in Japan een belangrijke producent en distributeur op het gebied van meubels en woninginrichting. Het gesprek duurde misschien een kwartier. Koji Nishiba vertelde dat hij voor zijn werk van tijd tot tijd is Amsterdam verbleef. Dat was voor mij een reden om na de beurs contact met hem te zoeken en hem uit te nodigen om mijn atelier in Arnhem te bezoeken als hij weer in Amsterdam zou zijn. Dat heeft hij gedaan en voor Duende heb ik Klomp ontworpen, een vaas die door Duende wordt geproduceerd. Iemand uitnodigen op je atelier, zo bleek me door het bezoek van Koji Nishiba, is echt de beste manier om een band te smeden met een potentiële opdrachtgever. Mijn werk ontstaat voor een belangrijk deel in mijn atelier, dat zei ik al, en dat moet je een opdrachtgever laten zien om hem te overtuigen.
   Mijn deelname aan de beurzen van 2008 en 2009 leidde ook tot mijn solotentoonstelling in Osaka in 2010. Twee Japanse architecten die bezig waren met een tentoonstellingsproject hadden mijn werk gezien en vonden mijn aanpak interessant. Via mijn agente Nahoko Washio leidde dat tot een uitnodiging van Graf, een werkplaats, tentoonstellingsruimte en winkel in Osaka, voor een solopresentatie. Die solopresentatie was een succes, dat wil zeggen dat ik er al mijn werk verkocht. Bovendien had ik bedacht dat ik in Osaka niet alleen iets wilde laten zien, maar ook iets wilde doen. Ik bedacht een workshop in Osaka in de ruimte van Graf met de traditionele bruine klei die ik in Shigaraki haalde, een van de zes oudste keramiekcentra van Japan. De workshop trok veel belangstelling. De combinatie van tentoonstellen en workshops geven of lesgeven is trouwens ook een mogelijkheid om je geld te verdienen als ontwerper. Ik werd in 2007 door Kaolin, een winkel en tentoonstellingscentrum in Stockholm, uitgenodigd voor een tentoonstelling en vroeg aan de organisatoren of ik niet twee weken les kon geven op de kunstacademie van Stockholm. Dat had ik bijna voor elkaar, toen ze er hier in Arnhem, bij Artez waar ik les gaf, een stokje voor staken. Ik was teveel weg, vonden ze; misschien terecht, maar wel jammer. Als ik ooit weer de kans krijg, wil ik alsnog een tentoonstelling combineren met een periode lesgeven.

Peter Nijenhuis: Je hebt in 2005 meegewerkt aan een project van Fair Trade, de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie. Hoe verliep dat?
Sander Luske: Fair Trade werkt samen met een keramiekfabriek, de Kasama Factory, in Chiang Mai in het Noorden van Thailand. Kasama fabriceerde lange tijd alleen in opdracht en als er geen opdracht was, lag de fabriek stil en verdienden de fabriekseigenaar en de werknemers geen geld. Om dat probleem op te lossen, werd een eigen fabriekslabel bedacht, Bai Mai, zodat Kasama tussen opdrachten door zijn eigen label zou kunnen produceren. Fair Trade nodigde Kiki van Eijk en mij uit om voor het label een aantal producten te ontwerpen. Ik ben vervolgens op kosten van Fair Trade naar Thailand gegaan om daar in de fabriek aan vier productlijnen van theepotten te werken. De fabriek maakt geen porselein, maar steengoed, dat is wat dikker en daar moet je rekening mee houden. Toen ik er was, tien jaar geleden, waren ze nog niet gewend om kleurproeven te maken of om echt nieuwe dingen te proberen, maar Thailand is een betrekkelijk modern land en Thais stellen zich coöperatief op. De collectie van Bai Mai is door de directrice van Kasama, Arpasra Kleine, in 2010 gelanceerd op de Ambientebeurs in Frankfurt en heeft daarna zelfs enkele prijzen gewonnen.

Peter Nijenhuis: Als je terugkijkt op je projecten in het buitenland, waardoor is het dan wel eens stuk gelopen en wat mis je wat dat betreft?
Sander Luske: Toen ik begin jaren negentig met Jan Broekstra werkte, merkte ik al dat er als ontwerper veel op je afkomt. Je bent maar een klein deel van de tijd bezig met het ontwerpen zelf. De rest is regelen, papieren en documentatie versturen, contacten aanknopen en onderhouden en ga zo maar door. Dat is noodzakelijk om van een contact een klant of opdrachtgever te maken, maar als eenmanszaak breng je dat niet altijd op. Zou je dat kunnen oplossen door met een aantal ontwerpers een secretaresse te nemen of een soort agent? Dat zou ik wel eens willen proberen.

links:
website Sander Luske
duendebai mai

Peter Nijenhuis
Steun OPA door member te worden en krijg naast gratis toegang tot onze avonden nog vele extra’s!